Nicholson maakte zijn filmdebuut al in 1958 met The Cry Baby Killer, maar bleef jarenlang vooral in kleine rollen hangen. Dat veranderde in 1969 toen hij doorbrak met de cultfilm Easy Rider, waarin hij naast Peter Fonda en Dennis Hopper speelde.
Opkomst
De echte opmars begon echter in de vroege jaren zeventig. In slechts zes jaar tijd, tussen 1970 en 1975, speelde Nicholson in maar liefst twaalf films. Het bijzondere was dat zijn productiviteit ook gepaard ging met indrukwekkende kwaliteit.
Een van zijn eerste grote hoogtepunten kwam in 1970 met Five Easy Pieces. In die film speelde hij Bobby Dupea, een voormalige pianist die als arbeider op een olieveld werkt. Zijn intense vertolking leverde hem meteen zijn eerste Oscar-nominatie op.
Andere kant
Nicholson bewees daarna dat hij meer kon dan alleen explosieve rollen spelen. In het drama The King of Marvin Gardens uit 1972 liet hij een veel ingetogener kant zien, terwijl hij in 1973 met The Last Detail opnieuw indruk maakte met zijn ruige charisma.
Het absolute hoogtepunt van deze periode kwam in 1974 met Chinatown. De neo-noirfilm van regisseur Roman Polanski groeide uit tot een klassieker, waarin Nicholson als privédetective J.J. Gittes een van de meest iconische rollen uit de filmgeschiedenis neerzette.
Toppunt
Een jaar later volgde misschien wel zijn grootste triomf. In 1975 speelde Nicholson de rebelse patiënt Randle McMurphy in One Flew Over the Cuckoo's Nest, geregisseerd door Milos Forman. De film won vijf grote Oscars, waaronder die voor Beste Acteur.