'Good Boy': psychopaat probeert hufterige jongeman te veranderen in aanhankelijke puppy (2025)
Zwartgallige thriller met een sterk uitgangspunt blijft steken in aardige ideeën.
Regie: Jan Komasa | Scenario: Bartek Bartosik, Naqqash Khalid | Cast: Anson Boon (Tommy), Stephen Graham (Chris), Andrea Riseborough (Kathryn), Kit Rakusen (Jonathan), Monika Frajczyk (Rina), e.a. | Speelduur: 110 minuten | Jaar: 2025
Tommy is een bad boy, zoveel maakt de openingsscène van Good Boy wel duidelijk. De jonge Brit gaat zich te buiten aan drank, drugs, seks en vechtpartijen en schuwt ook een wildplasje hier en daar niet. Een hufter pur sang, van het type waar de Engelsen berucht om zijn. Toch gun je Tommy niet wat hem in de rest van de film overkomt.
Na een avondje alles doen wat God verbiedt, vindt Tommy zichzelf terug met een stalen ketting om zijn nek, opgesloten in een bedompte kelder. Iemand vindt blijkbaar dat de jongeman drastisch heropgevoed moet worden. Met straf en beloning binnen een hecht gezelschap, noem het familie. Een vruchtbare bodem voor een fijn gevalletje stockholmsyndroom.
De mensen bij wie Tommy vanaf nu verblijft - het is in het begin onduidelijk of het bekenden of totale vreemdelingen zijn - hebben een merkwaardig bestaan opgebouwd. Er zijn onderlinge spanningen, machtsrelaties en geheimen waar de film op hint. Een blik hier, een gebaar daar, een losse zin die een beetje context geeft. Echt glashelder wordt het niet, maar dat hoeft ook niet. Good Boy wordt niet gedreven door het plot, maar door de sfeer en de eigenaardigheden van de personages.
Eigenaardig is de film zeker. Voorafgaand aan de openingsscène verschijnt een schier oneindige parade van productiemaatschappijen en filmfondsen die aan de totstandkoming hebben bijgedragen. De meeste zijn Pools, net als regisseur Jan Komasa zelf. Hij kneedt een bevreemdend psychologisch drama dat enkele sterke punten heeft, maar uiteindelijk bezwijkt onder zijn zwakheden.
Aan de goede kant van de lijn staan de jonge acteur Kit Rakusen en vooral Anson Boon als de onbeschofte Tommy. Boon speelt overtuigend een jongeman die langzaamaan goede manieren leert en in wie een moreel besef groeit, zonder dat we ook maar één moment twijfelen aan zijn wil om aan zijn gevangenschap te ontsnappen. Die dualiteit weet hij mooi te vangen. Tijdens zijn reis van ondubbelzinnige hufter naar min of meer empathisch 'familielid' merk je dat je gaandeweg aan de kant van Tommy gaat staan, ook al weet hij zelf misschien niet wat goed voor hem is.
Stephen Graham als de sullige, getikte ontvoerder ("wij zijn geen psychopaten") is natuurlijk het uithangbord van deze film, maar zijn vertolking pakt soms onbedoeld lachwekkend uit. Er is ook genoeg doelbewuste zwarte humor, maar Graham doet veel te hard zijn best om een zonderling met een toupet, een geforceerde stem en een raar loopje neer te zetten. Het is een gewaagde, maar weinig geslaagde poging om buiten zijn comfortzone van rauw-realistische personages uit de arbeidersklasse te treden.
Hetzelfde geldt voor het script. Film heeft vaak tot doel om de fantasie te prikkelen en ongelooflijke verhalen te vertellen, maar het is wel belangrijk dat een zwartgallige thriller als Good Boy geënt blijft op realistische en consistente psychologische processen. Daar schort het hier aan. Veel motieven, gesprekken en andere interacties zijn leuk bedacht aan de schrijverstafel, maar representeren niet hoe mensen daadwerkelijk met zichzelf en elkaar omgaan.
Het beste voorbeeld daarvan is de verhaallijn van een jonge immigrant, die op de hoogte is van de gevangenschap van Tommy, maar daar totaal ongeloofwaardig op reageert. De onlogica en inconsistentie van haar gedrag en (domme) beslissingen leiden enorm af en zorgen ervoor dat je nooit echt helemaal wordt meegezogen in dit verhaal, dat op zich best sterke kanten heeft. Deze combinatie van Pygmalion, A Clockwork Orange en zelfs een vleugje Texas Chainsaw Massacre, overgoten met die dikke saus stockholmsyndroom, blijft helaas steken in aardige ideeën.
Tommy is een bad boy, zoveel maakt de openingsscène van Good Boy wel duidelijk. De jonge Brit gaat zich te buiten aan drank, drugs, seks en vechtpartijen en schuwt ook een wildplasje hier en daar niet. Een hufter pur sang, van het type waar de Engelsen berucht om zijn. Toch gun je Tommy niet wat hem in de rest van de film overkomt.
Na een avondje alles doen wat God verbiedt, vindt Tommy zichzelf terug met een stalen ketting om zijn nek, opgesloten in een bedompte kelder. Iemand vindt blijkbaar dat de jongeman drastisch heropgevoed moet worden. Met straf en beloning binnen een hecht gezelschap, noem het familie. Een vruchtbare bodem voor een fijn gevalletje stockholmsyndroom.
De mensen bij wie Tommy vanaf nu verblijft - het is in het begin onduidelijk of het bekenden of totale vreemdelingen zijn - hebben een merkwaardig bestaan opgebouwd. Er zijn onderlinge spanningen, machtsrelaties en geheimen waar de film op hint. Een blik hier, een gebaar daar, een losse zin die een beetje context geeft. Echt glashelder wordt het niet, maar dat hoeft ook niet. Good Boy wordt niet gedreven door het plot, maar door de sfeer en de eigenaardigheden van de personages.
Eigenaardig is de film zeker. Voorafgaand aan de openingsscène verschijnt een schier oneindige parade van productiemaatschappijen en filmfondsen die aan de totstandkoming hebben bijgedragen. De meeste zijn Pools, net als regisseur Jan Komasa zelf. Hij kneedt een bevreemdend psychologisch drama dat enkele sterke punten heeft, maar uiteindelijk bezwijkt onder zijn zwakheden.
Aan de goede kant van de lijn staan de jonge acteur Kit Rakusen en vooral Anson Boon als de onbeschofte Tommy. Boon speelt overtuigend een jongeman die langzaamaan goede manieren leert en in wie een moreel besef groeit, zonder dat we ook maar één moment twijfelen aan zijn wil om aan zijn gevangenschap te ontsnappen. Die dualiteit weet hij mooi te vangen. Tijdens zijn reis van ondubbelzinnige hufter naar min of meer empathisch 'familielid' merk je dat je gaandeweg aan de kant van Tommy gaat staan, ook al weet hij zelf misschien niet wat goed voor hem is.
Stephen Graham als de sullige, getikte ontvoerder ("wij zijn geen psychopaten") is natuurlijk het uithangbord van deze film, maar zijn vertolking pakt soms onbedoeld lachwekkend uit. Er is ook genoeg doelbewuste zwarte humor, maar Graham doet veel te hard zijn best om een zonderling met een toupet, een geforceerde stem en een raar loopje neer te zetten. Het is een gewaagde, maar weinig geslaagde poging om buiten zijn comfortzone van rauw-realistische personages uit de arbeidersklasse te treden.
Hetzelfde geldt voor het script. Film heeft vaak tot doel om de fantasie te prikkelen en ongelooflijke verhalen te vertellen, maar het is wel belangrijk dat een zwartgallige thriller als Good Boy geënt blijft op realistische en consistente psychologische processen. Daar schort het hier aan. Veel motieven, gesprekken en andere interacties zijn leuk bedacht aan de schrijverstafel, maar representeren niet hoe mensen daadwerkelijk met zichzelf en elkaar omgaan.
Het beste voorbeeld daarvan is de verhaallijn van een jonge immigrant, die op de hoogte is van de gevangenschap van Tommy, maar daar totaal ongeloofwaardig op reageert. De onlogica en inconsistentie van haar gedrag en (domme) beslissingen leiden enorm af en zorgen ervoor dat je nooit echt helemaal wordt meegezogen in dit verhaal, dat op zich best sterke kanten heeft. Deze combinatie van Pygmalion, A Clockwork Orange en zelfs een vleugje Texas Chainsaw Massacre, overgoten met die dikke saus stockholmsyndroom, blijft helaas steken in aardige ideeën.