'Resident Evil': nieuwe reboot blijkt onvervalste horrorkomedie die hooguit tot glimlachen stemt (2026)
De ironische aanpak zit een bloedstollend verhaal in de weg.
Regie: Zach Cregger | Scenario: Zach Cregger, Shay Hatten | Cast: Austin Abrams (Bryan), Zach Cherry (Dave), Paul Walter Hauser (Carl), Kali Reis (Pauline), Johnno Wilson (Max), e.a. | Speelduur: 90 minuten | Jaar: 2026
Zo'n vijftien jaar lang trakteerde het echtpaar Jovovich-Anderson hun vaste fanbase op de avonturen van Alice Abernathy, een stoere vrouw die het tegen bloeddorstige lijken en ander gemuteerd tuig opnam in een postapocalyptische wereld. In de Resident Evil-games schittert het personage Alice door afwezigheid en ook op andere gebieden vertoonden de computerspellen en de films slechts vluchtige overeenkomsten: een thema hier, een verwijzing daar, maar verder had Paul W.S. Anderson er helemaal zijn eigen ding van gemaakt. Zou regisseur Zach Cregger (Barbarian, Weapons) met de reboot dichter bij het bronmateriaal en de oorspronkelijke verhaallijn blijven?
Het antwoord is een volmondig 'Nee!' De 2026-versie van Resident Evil heeft behalve de naam en een aantal easter eggs eigenlijk helemaal niets met de gamefranchise te maken. Cregger maakt van zijn film een onvervalste horrorkomedie, meer in lijn met films als Shaun of the Dead en het recente Cold Storage dan met de griezelige avonturen van Leon Kennedy en Claire Redfield en de onkiese praktijken van farmaceut Umbrella. Die laatste organisatie speelt wel een rol in 2026, maar de achtergronden en kopstukken (een sterk punt van de games) worden amper uit de doeken gedaan in deze verfilming. Wellicht in een vervolg?
Resident Evil focust vrijwel uitsluitend op de belevenissen van Bryan Hodukavich, een sullige koerier die met een medisch pakket ("een lever of nier voor een kind, of de hersenen voor een oude vrouw?") richting het ingesneeuwde Raccoon City wordt gestuurd. Onderweg wacht achter vrijwel iedere bocht een nieuw monster. Sommige daarvan kennen we uit het Resident Evil-universum, maar andere lijken eerder uit The Thing, Event Horizon of uit The Last of Us-games te komen. De makers spelen lekker leentjebuur.
De gemuteerde wezens zijn grotesk en zien er redelijk overtuigend uit, al is het jammer dat er weer zo vaak voor CGI is gekozen in plaats van praktische effecten. Echt griezelig wordt het nooit, want Bryan reageert op elke verschijning met stupide nieuwsgierigheid of complete hysterie. Beide reacties zijn best komisch, maar worden na een half uurtje aardig repetitief. Aan het eind van de film zijn ze van alle frisheid en humor ontdaan. Bryan ziet weer eens een beest vanuit het donker op zich af komen en zegt voor de zoveelste keer "fuck" tegen zichzelf. De kijker glimlacht hooguit een beetje of kijkt hoe lang het nog duurt. Veel variatie heeft Resident Evil niet te bieden.
Niet dat Austin Abrams geen innemende hoofdrolspeler is. Zijn Bryan is een moderne Bilbo Baggins, een gewoon persoon die ongewone avonturen meemaakt. De opdracht (hij moet dat pakketje naar het ziekenhuis brengen) gaat ver boven zijn pet, maar toch slaagt hij er met kunst en vliegwerk telkens weer in een ronde te overleven en dichter bij zijn doel te komen. Abrams' wijdogige onschuld en komische timing zijn de sterkste punten van deze reboot. Het is echter niet genoeg.
Ook Creggers karakteristieke rennende wezens en de leuke easter eggs voor de spelers van de games (een ladder naar een hooizolder, een symbool op een sleutel en natuurlijk het constante gepiel met munitie) weten Resident Evil niet boven het niveau van een soms aardige, soms flauwe horrorkomedie te verheffen. De hardcore fans zullen op een volgende reboot moeten wachten voordat de 'echte' verhalen van Umbrella en Raccoon City op het witte doek worden uitgebeeld. In het Cregger-tijdperk zullen we het met een glimlachje moeten doen.
Zo'n vijftien jaar lang trakteerde het echtpaar Jovovich-Anderson hun vaste fanbase op de avonturen van Alice Abernathy, een stoere vrouw die het tegen bloeddorstige lijken en ander gemuteerd tuig opnam in een postapocalyptische wereld. In de Resident Evil-games schittert het personage Alice door afwezigheid en ook op andere gebieden vertoonden de computerspellen en de films slechts vluchtige overeenkomsten: een thema hier, een verwijzing daar, maar verder had Paul W.S. Anderson er helemaal zijn eigen ding van gemaakt. Zou regisseur Zach Cregger (Barbarian, Weapons) met de reboot dichter bij het bronmateriaal en de oorspronkelijke verhaallijn blijven?
Het antwoord is een volmondig 'Nee!' De 2026-versie van Resident Evil heeft behalve de naam en een aantal easter eggs eigenlijk helemaal niets met de gamefranchise te maken. Cregger maakt van zijn film een onvervalste horrorkomedie, meer in lijn met films als Shaun of the Dead en het recente Cold Storage dan met de griezelige avonturen van Leon Kennedy en Claire Redfield en de onkiese praktijken van farmaceut Umbrella. Die laatste organisatie speelt wel een rol in 2026, maar de achtergronden en kopstukken (een sterk punt van de games) worden amper uit de doeken gedaan in deze verfilming. Wellicht in een vervolg?
Resident Evil focust vrijwel uitsluitend op de belevenissen van Bryan Hodukavich, een sullige koerier die met een medisch pakket ("een lever of nier voor een kind, of de hersenen voor een oude vrouw?") richting het ingesneeuwde Raccoon City wordt gestuurd. Onderweg wacht achter vrijwel iedere bocht een nieuw monster. Sommige daarvan kennen we uit het Resident Evil-universum, maar andere lijken eerder uit The Thing, Event Horizon of uit The Last of Us-games te komen. De makers spelen lekker leentjebuur.
De gemuteerde wezens zijn grotesk en zien er redelijk overtuigend uit, al is het jammer dat er weer zo vaak voor CGI is gekozen in plaats van praktische effecten. Echt griezelig wordt het nooit, want Bryan reageert op elke verschijning met stupide nieuwsgierigheid of complete hysterie. Beide reacties zijn best komisch, maar worden na een half uurtje aardig repetitief. Aan het eind van de film zijn ze van alle frisheid en humor ontdaan. Bryan ziet weer eens een beest vanuit het donker op zich af komen en zegt voor de zoveelste keer "fuck" tegen zichzelf. De kijker glimlacht hooguit een beetje of kijkt hoe lang het nog duurt. Veel variatie heeft Resident Evil niet te bieden.
Niet dat Austin Abrams geen innemende hoofdrolspeler is. Zijn Bryan is een moderne Bilbo Baggins, een gewoon persoon die ongewone avonturen meemaakt. De opdracht (hij moet dat pakketje naar het ziekenhuis brengen) gaat ver boven zijn pet, maar toch slaagt hij er met kunst en vliegwerk telkens weer in een ronde te overleven en dichter bij zijn doel te komen. Abrams' wijdogige onschuld en komische timing zijn de sterkste punten van deze reboot. Het is echter niet genoeg.
Ook Creggers karakteristieke rennende wezens en de leuke easter eggs voor de spelers van de games (een ladder naar een hooizolder, een symbool op een sleutel en natuurlijk het constante gepiel met munitie) weten Resident Evil niet boven het niveau van een soms aardige, soms flauwe horrorkomedie te verheffen. De hardcore fans zullen op een volgende reboot moeten wachten voordat de 'echte' verhalen van Umbrella en Raccoon City op het witte doek worden uitgebeeld. In het Cregger-tijdperk zullen we het met een glimlachje moeten doen.